Stereoscopie


''Stereoscopie is de kunde van het weergeven van
ruimtelijk waarneembare afbeeldingen in het platte vlak'



Er liggen een aantal mechanismen ten grondslag aan het ruimtelijk zien van de mens.

Een van de belangrijkste mechanismen, is het binoculair zien. Dat wil zeggen het kijken met twee ogen.
Omdat onze ogen iets uit elkaar staan (gemiddeld zo'n 6,5 cm), zien onze twee ogen niet het zelfde beeld.
Tussen de twee images die onze ogen aan onze hersenen doorgeven, zijn hele kleine verschillen.
Uit deze verschillen - minieme horizontale verschuivingen van de objecten in het beeld - 'berekenen' onze hersenen
welk object dichtbij is en welk verder weg.


Andere mechanismen zijn:

'De spierspanning van onze oogspieren'
Deze 'vertellen' de hersenen of we scheel kijken
(naar iets wat dichtbij is) of staren (naar iets wat ver weg is)

'De bolling van onze ooglenzen'
Hieruit maken de hersenen op of de ogen staan scherpgesteld op
iets wat dichtbij is of iets wat ver weg is.

'Grootte-constantie'
Van twee gelijkvormige objecten (bijvoorbeeld twee mensen) wordt degene
die kleiner wordt waargenomen als verder weg beoordeeld.

'Perspectief'
Objecten worden - afhankelijk van hun oriëntatie in de ruimte - vervormd waargenomen.
Zo wordt bijvoorbeeld een rechthoek die we van voren zien een trapezium,
wanneer deze in de ruimte gedraaid wordt.
Door de ervaring die onze hersenen hebben met het in perspectief zien,
weten ze welke kant van een object verder weg is.

'Sferisch perspectief'
De dikte van het medium - meestal lucht - waar doorheen we een object zien,
bepaald hoe verzadigd we de kleuren van dat object waarnemen.
Objecten met onverzadigde kleuren worden als verder weg beoordeeld.

'Bewegingsparalax'
Als we bewegen, zien we de objecten om ons heen ten opzichte van elkaar verschuiven.
Objecten die langzaam verschuiven worden als verder weg beoordeeld.